Lambic was oorspronkelijk een streekbier uit de Zennevallei. Vandaag de dag wordt lambic echter ook op andere plekken in West-Vlaanderen gebrouwen.

Lambic ontstaat door middel van spontane gisting. Vooral het Brettanomyces-gist (brett) komt veelal voor in lambic-bieren. Kenmerkend voor lambic is ook het gebruik van wilde gisten uit de buitenlucht. Er worden geen gisten aan het bier toegevoegd, het bier vergist enkel door de gisten in de lucht.

Lambic bestaat uit gemoute gerst, ongemoute tarwe en veel oude hop. In lambic wordt geen jonge hop gebruikt, aangezien deze te bitter is. Oude hop heeft zijn bittere smaak verloren en is vooral erg zacht van smaak. Wel zorgt de hop ervoor dat het bier langer houdbaar blijft. Vroeger wou men dat een lambic zeker niet bitter zou zijn. Het moest een verfrissend bier zijn voor de boeren die hard aan het werk waren. Nu wordt een lambic vooral gebruikt als grondstof voor andere bieren, zoals een faro, geuze of krieklambic.

Het brouwsel van een lambic gist na op eikenhouten vaten. Lambic bevat haast geen koolzuur en is erg plat. Ook is er geen schuimkraag te zien zodra je een lambic uitschenkt in een glas. Lambic is overwegend zuur en dorstlessend.